|
|
De afstand tot een satelliet
Het signaal dat een GPS-satelliet verstuurt, bevat informatie zoals het nummer van de satelliet, de locatie van de satelliet in de ruimte en de datum en tijd dat het signaal is verstuurd.
Een GPS-ontvanger weet dus wanneer het signaal werd verzonden. De ontvanger weet bovendien wanneer het signaal is ontvangen omdat er een interne klok in de GPS zit.
Ook weet de GPS hoe snel het signaal door de ruimte ging (299.792 km/s).
Met al die gegevens kan de GPS bepalen wat de afstand is tot de satelliet.
      
Als je de signalen van twee satellieten ontvangt, bevind je je ergens op een denkbeeldige cirkel.
|
|
Je positie bepalen
De GPS-ontvanger combineert de afstand tot de satelliet met de informatie over de plaats van de satelliet.
Hierdoor komt de GPS tot een aantal opties waar je je in de ruimte kunt bevinden.
Die mogelijke plekken vormen als het ware een bol rond de satelliet.
Als je ook een signaal van een tweede satelliet ontvangt, bevind je je op het snijpunt van twee bollen (dat is een cirkel).
En als je de signalen van drie satellieten ontvangt, houd je nog maar twee punten over die alle drie de bollen gemeen hebben.
Eén van die punten ligt meestal niet op de aarde en dus weet je je positie.
Het signaal van een vierde satelliet maakt je locatie definitief en wordt gebruikt om de plaatsbepaling nauwkeuriger te maken.
Die nauwkeurigheid is in het open veld ongeveer 3 meter.
|
|
DGPS en WAAS/Egnos
|
|
|
Er bestaan allerlei technieken die de nauwkeurigheid van de plaatsbepaling kunnen verbeteren.
Daarbij wordt gebruik gemaakt van correctiesignalen van bijv. grondstations (DGPS) of extra satellieten (WAAS in Amerika en EGNOS in Europa).
Waas/Egnos zit ingebouwd in de tegenwoordige GPS-en, maar voegt in de praktijk niet heel veel toe,
omdat de signalen van de WAAS/EGNOS satellieten tussen bomen en gebouwen niet goed kunnen worden ontvangen.
|

|
|